Home.

Info.

Nieuws.

CD.

Agenda.

Foto's.

Etymologie.

Gastenboek.

© 2011 De  Enkhuizer Sjappetouwtjes

Sjappetouwer(1721) gevormd bij ouder sappetau/svaarder (1702) < Maleis s(i)apa taoe 'wie weet het', een uitdrukking die gebruikelijk was onder de matrozen, vandaar de naam voor een ruwe klant. Verkortingen zijn sjap en sjappie.
Bron: Etymologisch Woordenboek, uitgeverij 'Het Spectrum'

Sjappietouwer m (-s) ruwe vent, gemene kerel, die niets wat schelen kan (vermoedelijk van de Maleise uitdrukking: siapa tahu wie weet er wat van?, maar beïnvloed door het Engelse chap vent).
Bron: Kramers Nieuw Woordenboek Nederlands

Sjappie = sjappietouwer, iemand zonder manieren of beschaving; onverschillige en onbetrouwbare kerel; iemand die schunnig gekleed is.
Bron: Vreemde Woordentolk (Universiteit voor Zelfstudie)

Sjap, m. (-pen), sjappie.
Sjap'pen,(sjapte, heeft gesjapt), (overg.) merken, tekenen (b.v. te vellen hout).
Sjap'pie,m. (-s), 1. sjappietouwer;-2. winderig, opschepperig ventje.
Sjappie hen'dele men'dele,m., g. mv., (Barg. volkst.) (verbastering van Chopin, Händel, Mendelssohn), hutspot (van aardappelen, wortelen, uien).